Van Dongen in volle glorie en zwakte


Rutger Pontzen - 23/09/10, 00:00
Een overzichtstentoonstelling in Rotterdam laat nog eens zien hoe talentvol Kees van Dongen zijn scherpe kleuren in bedwang hield. Zijn beroerde werk maakt de expositie compleet....

Kees van Dongen * * * *

Rotterdam Bezoekers van overzichtstentoonstellingen willen graag de hoogtepunten zien. Dat lijkt althans het devies in museumland te zijn. Portretten van Gainsborough, stillevens van Morandi of landschappen van Monet - het imago dat het hier om Hoge Kunst en Grote Kunstenaars gaat mag niet doorkruist worden door zwakke schilderijen en prutserige tekeningen. Je kunt je afvragen waarom.

Lange tijd was Kees van Dongen (1877-1968) een van mijn favoriete kunstenaars. Gekke schilder. Niet zozeer vanwege de ‘grote ogen’ die naar het schijnt zo karakteristiek voor zijn portretten zijn. Die ogen waren me nooit opgevallen. Wel het vreemde, broeierige kleurgebruik. Het citroengeel, gifgroen, kraplakrood en Pruisisch blauw gaven aan zijn schilderingen een haast buitenaards aura.

Kleuren waarvan bekend is dat je ze maar spaarzaam kunt gebruiken, omdat ze een heel schilderij in brand kunnen zetten. Van Dongen had daar blijkbaar maling aan. Schilderijen zónder citroengeel, gifgroen, kraplakrood en Pruisisch blauw bestaan er van hem niet. Het is zijn handelsmerk.

Het viel me al op toen ik in het Stedelijk Museum in Amsterdam voor het eerst Van Dongens portret van Anna de Noailles zag. Een elegante dame in wit gewaad, maar ook met groene arm, blauw haar en rode halsband. Plots begreep ik wat een bijzonder talent je moet bezitten om zulke scherpe kleuren in bedwang te kunnen houden. De constatering maakte Van Dongens meesterschap alleen maar groter.

Vorige week werd de verzamelde kunstpers uitgenodigd om in het Museum Boijmans Van Beuningen de onthulling van een bijzonder schilderij van Van Dongen bij te wonen, Trinidad Fernandez. De presentatie van het portret, uit 1910, op de overzichtstentoonstelling van Van Dongen in Rotterdam bleek een unicum. Het doek kwam uit de kelders van het Tehran Museum of Contemporary Art, aangekocht door Farah Diba, de echtgenote van de laatste sjah van Perzië, en was sinds 1956 niet meer te zien geweest.

Maar wat een ontluistering was het schilderij toen het uit de krat werd gehaald. Alle kleuren die, in mijn herinnering aan de schilder, oogverblindend hadden moeten zijn, waren dof. En de afgebeelde Andalusische schone zat er zelf suf en uitgeblust bij. Grote, zwart omrande ogen, ja, die had ze zeker. Maar daarmee was alles wel gezegd.

Natuurlijk, ze hangen er gelukkig nog wel, in Rotterdam, dat handjevol schilderijen en tekeningen waarmee Van Dongen terecht beroemd geworden is. De portretten van gravin De Noailles en de wat boertige Dr. Charles Rappoport, van de afgetrainde Amerikaanse bokser Jack Johnson en Auguste Casséus, ambassadeur van Haďti, met naast zich een in Egyptische contouren gestileerd slaafje. De lichte interieurs, ton sur ton geschilderd, met een Pruisisch blauwe commode of een ranke vrouw, oranje omrand. De illustraties waarmee Van Dongen al op jonge leeftijd, net vanuit Delfshaven in Parijs gearriveerd, zijn geld verdiende. En die, net als het vroege werk van Andy Warhol, in een fijn, krullig handschrift zijn getekend.

Maar in Rotterdam wordt ook duidelijk dat Van Dongen een slimme schilder was. Waar hij kwam, slurpte hij de stijlen uit zijn omgeving op. In zijn beste werk klutste Van Dongen het pointillisme van Toulouse-Lautrec, het expressionisme van Van Gogh, het fauvisme van Matisse en het primitivisme van Picasso tot een elegant mengsel, totdat hij uiteindelijk zijn eigen palet van hyperkleuren vond.

In zijn slechtste schilderijen gebruikt hij dezelfde ingrediënten, maar dan van alles een onsje te veel. Want allejezus, wat een beroerd werk heeft Van Dongen daarnaast tijdens zijn leven gemaakt. Met boterzachte moeder-dochterschilderijen, Matisse-pastiches of een paard dat als een kolos over het doek hobbelt. Met portretten waarin hij zijn opdrachtgevers stroop op de mond wilde smeren. Met landschappen en vrouwen, geschilderd in Spanje, Egypte en Algerije, die het meest lijken op afbeeldingen uit een VVV-brochure. Schilderingen die uiting gaven aan zijn behaagzucht. Het heeft hem wel schatrijk gemaakt.

En toch maakt dat de tentoonstelling juist zo goed. Het Boijmans heeft het, waarschijnlijk zonder opzet, aangedurfd om Van Dongen in zijn volle glorie te laten zien, mét zijn zwakkere perioden. Zoiets opent de weg naar andersoortige solopresentaties die niet alleen in het teken staan van het bewieroken van een talent, maar ook de keerzijde willen belichten. Omdat alleen het beste uit een oeuvre tonen geen recht doet aan wat een kunstenaar werkelijk heeft gemaakt - ook al gaat het om een jeugdliefde.